Winkelwagentje
Je winkelwagentje is leeg
Hoeveelheid:
Subtotaal
Btw
Verzending
Totaal
Er is een fout opgetreden met PayPalKlik hier om het opnieuw te proberen
VierBedankt voor je bestelling!Je ontvangt binnenkort een orderbevestiging van PayPal.Winkelwagentje verlaten

Blog

overzicht:  volledig / samenvatting

Engeland en de Republiek na stadhouder-koning Willem III

Geplaatst op 16 mei, 2014 om 2:42 Comments reacties (1)
Queen Mary II stierf in 1689. Haar voor een zeventiende eeuwse heerser opvallend democratische echtgenoot en neef in 1702. Hij overleed na een val van zijn paard toen het arme dier over een grote molshoop struikelde. Zijn politieke tegenstanders zouden nog vele jaren heildronken uitbrengen op de in zwart fluweel geklede, kleine 'gentleman'. 

King Billy werd opgevolgd door zijn tragische schoonzuster Anne. In antiekkringen beroemd om de naar haar genoemde tafel- en stoelpoten die ten tijde van koningin Victoria zo zedeloos werden gevonden, dat men er rokjes om heen deed. Queen Anne raakte maar liefst achttien keer zwanger. Maar geen van haar kinderen werd ouder dan elf jaar. Anne raakte daarop dusdanig aan de drank, dat ze achter haar rug en in de pers spottend 'Brandy Nan' werd genoemd. Na Queen Anne verviel de Engelse troon aan een Stuart-nazaat uit het Huis van Hannover. 

Het stadhouderschap (oorspronkelijk geen erfelijke functie, maar de hoogste ambtenaar in dienst van de Staten-Generaal [het parlement]) werd na het Tweede Stadhouderloze Tijdperk vanaf 1747 in de hele Republiek bekleed door Willem IV; een verre verwant van de overleden koning-stadhouder, die tot dan toe in Friesland, Groningen en Drenthe het stadhouderschap bekleedde. Een verwant die niet afstamde van Willem van Oranje*, al nam die verre tak van de familie om hun legitimiteit te verhogen de naam van Oranje-Nassau aan (en dat terwijl het prinsdom Oranje al onder Willem III verloren was gegaan). Voor een in de versukkeling geraakte Republiek geldt dat de stadhouders uit het Huis van Nassau-Dietz niet de juiste man op de juiste plaats zijn geweest.
Wat helemaal niet hielp, is dat het door zwakke persoonlijkheden beklede erfelijk stadhouderschap steeds meer trekken van een slecht geleide absolute monarchie ging vertonen. Toen in 1815 bij de vorming van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (Nederland, België en Luxemburg, dat in een personele unie met het koninkrijk was verenigd) een balans met historische schulden moest worden opgesteld, leverde de door stadshouders geleide vrije Republiek een torenhoge bijdrage terwijl de schuld van de Oostenrijkse kolonie slechts 2% bedroeg. In het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden verhuisden regering en parlement om het jaar van Brussel naar Den Haag en vice versa.

Onder de laatste erfstadhouder, de in 1795 smadelijk naar Engeland gevluchte Willem V (wiens zoon in 1815 koning Willem I zou worden), viel zelfs Oranjestad Den Briel in twee kampen uiteen: de reactionaire (door corruptie gekenmerkte) prinsgezinden en de (op de gelijkheidsidealen van de Verlichting georiënteerde) patriotten. Het is typisch Briels, dat beide groeperingen bijeenkwamen en na allerlei meestal verbale schermutselingen gezamenlijk een glaasje dronken in de in de Nobelstraat gelegen herberg De Prins van Oranje. (Dat de Geuzen en alom gehate Spanjolen op 1 april, nadat de Spaanse commandant is opgehangen, gezamenlijk het Geuzenbal bezoeken, past dus kennelijk in een lokale traditie.)

Onder het koningschap van stadhouder Willem III was veel van de macht en glorie van de Republiek op zijn koninkrijk overgegaan. Niet voor niets was de Gouden Eeuw aan het eind van zijn leven voorbij. Voordat stadhouder Willem III er met de kronen van zijn oom en schoonvader van door ging, kon de Republiek zich permitteren om haar economische en politieke belangen veilig te stellen door een opvallend vaak door een Briellenaar als Maarten Harpertszoon Tromp, Witte de With (buiten de vesting geboren) en apothekerszoon Philips van Almonde geleide oorlogsvloot op een concurrent af te zenden.
Na de Glorious Revolution ging dat met Engeland niet meer. Daarbij komt dat de koning-stadhouder in zijn nieuwe rijk tal van belangrijke Nederlandse instituten kopieerde,  waardoor de economische macht zich stilaan van Amsterdam naar Londen verplaatste. Hoewel William en Mary altijd hebben laten blijken, dat een voorkeur voor de Republiek koesterden, is onder hun bewind de vorming van het latere British Empire versneld. De voor landen als Denemarken, Rusland, Zweden, de Verenigde Staten en Japan op talloze terreinen zo inspirerende Republiek veranderde ongemerkt in het landje, waar alles 50 jaar later gebeurde dan in de rest van de wereld.  

Onder opvolgster 'Brandy Nan' sloten Engeland, Schotland, Wales en Ierland 'the Acts of Union', waarbij het Verenigd Koninkrijk werd gecreëerd. 

Haar opvolgers, vier koningen die de naam George droegen, zijn populair onder verzamelaars van antiek. Engelse scholieren leren echter nog altijd, dat ze bekend stonden als The Bad, The Sad, The Mad and The Fat (de Slechte, de Droevige, de Gekke en de Dikke). Aan de gezondheidsproblemen van van George III is de prachtige film The Madness of King George gewijd. 

George nummer Eén komt er wel heel bekaaid van af. De Engelsen vinden hem slecht om de volgende redenen: 

  • Toen hij in 1714 in zijn nieuwe koninkrijk arriveerde sprak hij nauwelijks Engels (maar één woord, beweerden zijn felste tegenstanders).

  • Hij zag het koningschap meer als een ceremoniële functie; liet het regeren over aan de minister-president en zijn ministers, onder controle van het parlement. De functie Prime Minister bestond zelfs niet, voordat George I het merendeel van zijn bevoegdheden en verantwoordelijkheden overdroeg aan zijn PM Robert Walpole.

  • De tijd die de koning aan de invulling van zijn functie overhield, besteedde hij aan 2 Duitse maîtresses die door de onderdanen van hun minnaar hatelijk 'Elephant' & 'Castle' werden genoemd. Incestueus detail: 'de Olifant' was de vreselijk dikke halfzuster van haar koninklijke minnaar (Bad King Beds Half-Sister, zou schandaalkrant The Sun heden ten dage koppen). 'Kasteel' werd ook wel liefdevol als de Scarecrow (vogelverschrikker) en als Maypole (meiboom, KLIK HIER) aangeduid. De 'Meiboom' was overigens lang en dun. Haar andere spotnaam Kasteel verwijst niet naar overgewicht. (Elephant & Castle was en is een geliefde naam voor horecagelegenheden als pubs en inns. Het gelijknamige Londense kruispunt met 2 stations van de Underground en een treinstation is naar een herberg genoemd, die in de tijd van de postkoets zo belangrijk was, dat William Shakespeare er in één van zijn stukken naar verwijst). De Franse collega's van George I konden zich een schaduwkoningin veroorloven in de vorm van een officiële Maîtresse en Titre (zoals Madame de Pompadour die onder Lodewijk XV de alom gerespecteerde titel Minnares droeg). Maar die waren katholiek en niet tevens het hoofd van de (protestantse) Anglicaanse Kerk, die in die tijd steeds meer afstand nam van 'paapse (= katholieke) neigingen', zoals koninklijke Weibergeschichte.

* De huidige koninklijke familie stamt niet af van de Vader des Vaderlands. Via koningin-regentes Emma von Waldeck - Pyrmont stammen ze echter mogelijk wel af van hetzij de moeder of de boze stiefmoeder van Sneeuwwitje. (KLIK HIER voor een Duitstalige documentaire over de waargebeurde achtergronden van het sprookje.) Het heeft wel iets - de verdenking van een gruwelijke gifmoord met behulp van een appel of ander fruit onder de voorzaten van een koninklijke familie, waarvan de naam al eeuwenlang ten onrechte met appeltjes van Oranje ofwel sinaasappelen (afgeleid van China's appelen) wordt geassocieerd. De naam van het prinsdom heeft namelijk niets met de gelijknamige kleur of het fruit te maken. De naam van stad en prinsdom zijn een gevolg van het herhaaldelijk verbasteren van de oorspronkelijke Romeinse naam Aurasio, waarmee de streek rond het riviertje Araus (nu: Aygues) werd aangeduid. Taalkundig zou de route, volgens Caspar Visser ‘t Hooft, van Aurasio via Aurensis, Aurengis, Orengis, Orenges en Orenge naar Orange zijn verlopen.

Over struikelstenen en de op een pijnlijk moment blaffende hond

Geplaatst op 1 mei, 2014 om 4:17 Comments reacties (1)
Wie goed oplet ziet in een aantal Brielse straten glimmende steentjes van 10 bij 10 centimeter liggen. Deze met messing beklede steentjes liggen voor de 5 huizen, van waaruit van half juli tot eind oktober 1942 21 (volgens één bron: 23) Brielse Joden zijn gedeporteerd (in Den Briel ging het om leden van de families Gazan, Philipse, Katan en Cohen). Eerst via de Nobelstraat naar het net buiten de vesting gelegen stationnetje van de RTM. Vervolgens met het stoomtrammetje naar het RTM-station Rosestraat in Rotterdam-Feijenoord ('Zuid'). Vanaf het station een korte wandeling naar Loods 24 op het Gemeentelijke Handelsinrichtingen. En van Loods 24 regelrecht naar de fabrieken van de Dood, waar ze uiteindelijk allemaal zijn vermoord. 

De Joden werden zogenaamd naar Duitsland gebracht in het kader van de Arbeitseinsatz. Een belachelijke smoes, omdat zich onder de toekomstige dwangarbeiders Jannetje Philipse - van Buren (97) bevond, die, samen met een dochter, in een auto werd afgevoerd. In de Nobelstraat konden de leden van de familie Philipsen onder meer een laatste blik werpen op de hoek van de Zuidspuistraat gelegen en door Mozes Philipse uitgebate bioscoop-theater Luxor (thans: restaurant De Hooghcamer). De nieuwe exploitant was een foute Rotterdammer.
Mozes Philipse, de met een niet-joodse vrouw gehuwde zoon van Jannetje Philipse - van Buren mocht met zijn vrouw en hun 2 zonen in Den Briel blijven. Het gezin heeft de oorlog overleefd; al was dat bepaald niet de bedoeling van de Bezetter.

In elke struikelsteen (in het Duits: Stolperstein) is de naam en het geboortejaar gegraveerd van één van de vermoorde bewoners van het er achtergelegen huis. Op de struikelstenen, waarvan er in Europa anno 2014 44.000 zijn geplaatst, is soms ook de datum van deportatie en het jaar en de plaats/het concentratiekamp van overlijden aangebracht. In Nederland zijn de struikelstenen in 89 plaatsen te vinden.
Vlak voor het terras van Lunchroom De Gulle Geus (Nobelstraat 67-69) liggen de struikelstenen voor broer en zus Michel en Esther Cohen. Michel Cohen, handelaar in ijzerwaren, is de man, die tot op het laatste moment de kaarsen heeft ontstoken in de Sjoel. In z'n eentje, waardoor de sjabbatvieringen volgen de joodse traditie niet 'geldig' zijn geweest (aan een joodse eredienst moet een 'minjam', bestaande uit minimaal 10 mannen, deelnemen).   

Het plaatsen van de aan broer en zus Cohen gewijde steentjes werd door een gênant incident ontsierd. 
Uitgerekend tijdens het stiltemoment besloot Tommie, de toenmalige hond van een schuin tegenover De Gulle Geus gelegen winkel (die de plechtigheid met belangstelling vanaf zijn vaste plekje voor de deur had gadegeslagen) het eens flink op een blaffen te zetten. En dat was heel vreemd, omdat de betreffende hond al 5 keer probleemloos op 4 mei had deelgenomen aan de Dodenherdenking bij de Catharijnekerk. En de dames van Zeeman ronduit geschokt waren, omdat ze ervan uit waren gegaan, dat de betreffende hond niet eens kon blaffen. Typisch een gevalletje - dat doet-ie anders nooit!
Na afloop van de plechtigheid voor broer en zus Cohen liep een groepje in stemmig zwart geklede heren naar de hond, die het stiltemoment had verstoord. Om te kijken hoe de 'damblaffer' (zoals ze hem lachend noemden) er van dichtbij uitzag. Heel lief, vonden ze zonder uitzondering.

In de hal van het Brielse Stadhuis/Museum is in 1970 een monument geplaatst met de namen van de vermoorde Brielse Joden. 

Direct na de oorlog hadden velen (en niet in de laatste plaats de Overheid) in het Herrijzend Nederland van de Wederopbouw wel iets beters te doen dan rekening te houden met de gevoeligheden van overlevenden van de Holocaust en/of teruggekeerde oorlogsslachtoffers. 

Denk maar eens aan de gemeente Amsterdam, die teruggekeerde joodse huiseigenaren op erfpachtaanslagen trakteerde voor de periode, dat ze zelf in het kamp hadden gezeten en hun huis door NSB'ers werd bewoond. De gemeentelijke ambtenaren gingen daarbij zover, dat ze overlevenden naheffingen oplegden, omdat ze hadden nagelaten om vanuit het concentratiekamp tijdig de voor hun bezit verschuldigde erfpacht te voldoen. 
De voor de uitvoering van het harteloze Amsterdamse beleid verantwoordelijke ambtenaren hadden over het algemeen de hele oorlog lang op hun post gezeten, maar vielen niet in de categorie, dat ze zich daarbij schuldig hadden gemaakt aan enthousiaste vrijwillige collaboratie of het net iets te veel tegemoetkomen aan Duitse wensen en eisen, die schadelijk waren voor de Nederlandse en/of geallieerde zaak. 

De ambtelijke botheid jegens overlevende oorlogsslachtoffers beperkte zich niet tot joodse oorlogsslachtoffers. Rotterdam telde een relatief hoog aantal mannen, dat tijdens de Bezetting in Duitsland had gewerkt. Voor de beruchte razzia's van 1944 ging het vaak om werkzoekenden (die als gevolg van bombardementen en andere Oorlog gerelateerde problemen, zonder werkgever zaten) en van de Gemeentelijke Arbeidsbeurs [de voorloper van het arbeidsbureau] de verplichting opgelegd hadden gekregen om zich voor de Arbeitseinsatz aan te melden. 
Toen teruggekeerde slavenarbeiders zich na de Oorlog bij de Rotterdamse Arbeidsbeurs meldden, kon het gebeuren, dat ze van precies dezelfde ambtenaar, die hen opdracht had gegeven om in Duitsland te gaan werken, te horen kregen, dat ze fout waren geweest, omdat ze niet onmiddellijk waren ondergedoken, toen ze van de Arbeidsbeurs het bevel hadden gekregen om voor de vijand te werken (waar de tienduizenden mannen hadden moeten onderduiken in een stad, die waar dankzij vijandelijke en vriendschappelijke bombardementen grote woningnood heerste vertelden de betweters er niet bij. Het is maar wat je collaboratie vindt: mensen opdracht geven om voor de vijand te gaan werken of noodgedwongen gevolg geven aan dit bevel.

Na de oorlog is een schokkend hoog aantal als politieagent werkzame premiejagers, die tijdens de Bezetting hun salaris hadden aangevuld met het  'kopgeld' van zeven-en-een-halve gulden (ƒ 7,50!) , die de Zentralstelle für jüdische Auswanderung per ondergedoken Jood had uitgeloofd, daar helemaal niet of slechts in zeer lichte mate disciplinair voor gestraft.

Voor Joden niet minder kwetsend waren de naoorlogse opvattingen van de dappere rechtsgeleerde en verzetsheldin Gezina van der Molen, die tijdens de oorlog betrokken was bij de illegale 'Vrij Nederland' en medeoprichter van het christelijke verzetsblad 'Trouw' is geweest.
Onder de verzetsnaam 'Tante Lien' heeft deze vrouw joodse kinderen weg gesmokkeld uit het Joodse Kindertehuis aan de Plantage Middenlaan te Amsterdam. Die kinderen werden vervolgens bij christelijke pleegouders ondergebracht.
Teruggekeerde ouders en/of familieleden moesten na de oorlog ontdekken, dat de dappere verzetsvrouw in haar functie als voorzitter van de onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse regering handelende Rijkscommissie Oorlogspleegkinderen en voorzitter van de Voogdij-commissie voor Oorlogspleegkinderen absoluut niet wilde, dat ze hun kinderen of familieleden terugkregen. 
Naar verluidt kwamen Joden in haar optiek niet 'in Frage' als pleeg- of adoptieouder van joodse wezen. Het was namelijk de bedoeling, dat deze weeskinderen tot goede christenen zouden worden opgevoed.
Bewonderaars zijn van mening, dat het goede, dat Gezina van der Molen tijdens de Bezetting heeft verricht, zwaarder zou moeten wegen dan haar aan antisemitisme herinnerende, naoorlogse dwalingen. In joodse kringen is men vaak minder vergevingsgezind.

In Brielle werd de in de oorlog geplunderde en wegens gebrek aan overlevende gelovigen leegstaande synagoge in 1947 aan een plaatselijke aannemer verkocht. Een lot dat destijds heel veel nutteloze synagoges trof. Aannemers zaten immers om opslag- en werkruimtes te springen in een land dat weer moest worden opgebouwd. 
In de door mij geraadpleegde bronnen heet de verkoper van de Sjoel 'de gemeente'. Welke gemeente staat er helaas nooit bij - de gemeente Brielle of de Nederlandsch Israëlitische Gemeente te Rotterdam ('Mokum Reisj' = Stad R), waar de - wederom wegens gebrek aan overlevenden - opgeheven joodse gemeenten van Voorne-Putten in 1947 in waren opgegaan.

Over de grote weerzin, die Nederlandse musea hebben getoond met de teruggave teruggeven van in de oorlog van Joden geroofde (of door een gedwongen verkoop voor een spotprijs door of voor de Nazi's verworven) kunst zullen we het maar niet hebben. Naar verluidt zijn er in Nederland na de Oorlog wel eens nieuwe ambtsketens voor de Burgemeester gemaakt van joodse 'kerkschatten', die (in tegenstelling tot de bescheiden Brielse collectie) de Oorlog ongeschonden hadden overleefd. 
We zullen maar niet te lang stilstaan bij de Nederlandse rechters, die direct na de Oorlog oordeelden, dat teruggekeerde Joden, door naar het Concentratiekamp te gaan, elk recht op hun sindsdien door 'Bewariërs' in gebruik genomen bezittingen hadden verloren. En niet overliepen van begrip voor de wettige erfgenamen, wanneer een onwillige 'Bewariër' door joodse erfgenamen met een claim werd geconfronteerd.

Na de verkoop van de Sjoel werd de gevelsteen verwijderd en in 1950 op de vuilstort tussen Den Briel en Oostvoorne teruggevonden. Tijdens de in 2004 begonnen restauratie van de Sjoel zijn deze ooit als oud vuil weggegooide gevelsteen en het eveneens verdwenen ronde raam met de Davidsster in de voorgevel van het gebouw in ere hersteld. De periode tussen vuilstort en voorgevel heeft de gevelsteen grotendeels doorgebracht in het Trompmuseum (nu: De Tachtigjarige Oorlog - Historisch Museum Den Briel).

Toen in 2001 de eerste door 'De STEEG' gesignaleerde publicatie over de voorgenomen renovatie van het 'uitgewoonde'pakhuis aan de Turfkade verscheen, werd daarin - ongetwijfeld per ongeluk en met de beste bedoelingen - gemeld, dat de synagoge destijds wegens gebrek aan belangstelling zou zijn gesloten. Een pijnlijke omschrijving, aangezien alle op Voorne-Putten woonachtige belangstellenden waren vermoord; inclusief handelaar in ijzerwaren Michel Cohen; die, zolang dit mogelijk was, in de Sjoel de kaarsen was blijven ontsteken. Al was de joodse gemeenschap door het verminderde belang van de ooit zo fameuze Handelsstad Den Briel zo klein, dat er na 1899 alleen nog op joodse feestdagen diensten zijn gehouden.





De bril van keizer Nero en de naam van Den Briel

Geplaatst op 11 maart, 2014 om 5:58 Comments reacties (1)
Op 8 december 1942 plaatste De Telegraaf een artikel met de titel 'Wat zegt een Plaatsnaam? Alva's Bril". Het artikel is grotendeels gewijd aan de toen zeer populaire mode om plaatsnamen met een zeer ver gezochte taalkundige theorie te koppelen aan een Romeinse herkomst. Zo zou Amersfoort niet Amersfoort heten, omdat het aan een doorwaadbare plaats (of voorde) ligt in de rivier de Eems, die oorspronkelijk de Amer heette. Nee, de naam, waarvan de oudste vermelding uit 1208 dateert, zou door de Romeinen 'Amor Fortis' (hechte liefde) zijn genoemd. En dat terwijl de Romeinen al in de 4e eeuw het noordwestelijke deel van hun rijk hadden opgegeven.

M.G. Emeis Jr. betreurt het, dat ook één onzer meest roemruchte stadjes niet aan deze mode is ontkomen. "Brielle zou zijn naam ontlenen aan de Helius (compleet: Breede Helius, De STEEG), een door Plinius en Tacitus genoemd stroompje daar in de buurt. "Concurrentie bleef helaas niet uit, want Hellevoetsluis eischte den Helius als naamgever voor zichzelf op..."

Emeis Jr. ziet meer in een de in 1729 door door van Alkemade gedebiteerde stelling, dat Den Briel is genoemd naar een "zeer klein werktuig, dat op de neuze gezet tot een bekwaam en klare uit- en doorzigt werd gebruikt." Het bewijs van deze taalkundige herkomst wotdt gevonden in het rijm 'Op de eerste april/Verloor Alva zijn bril'. Niet voor niets dichtte de grote Hollandse puntdichter Constantijn Huygens (1596 - 1687 - KLIK HIER) over de bevrijding van Den Briel:

Nu houd ik 't met den naam, die op den neuze klemd.
Dat werde Filips gewaar, die door mijn brilleglazen
Al vroeg zijn avond-uer, en hope 't er nog zouw razen
Om Hollands vrijheid, las.

De Telegraaf was tijdens de de bezetting een zeer Duitsvriendelijk krant. Niet voor niets mocht de krant in de periode 1945 - 1949 niet verschijnen. Het is dan ook curieus om te lezen met welke woorden Emeis Jr. zijn tekst besluit en dat ook nog eens een keer vlak na het puntdicht over de in Den Briel verworven Hollandse vrijheid: "Een volgend keer treden we uit deze duisternis in het licht." Alsof deze medewerker van de foute Telegraaf de Duitse bezetting niet zo erg waardeerde.

Dat Den Briel naar de bril genoemd zou zijn lijkt me onzin. Hoewel Keizer Nero bij gelegenheid gebruik maakte van een brilachtige constructie met glazen van smaragd, zou het gebruik van lenzen om het gezichtsvermogen te verbeteren pas rond 1280 in Italië gemeengoed zijn geworden voor mensen, die rijk genoeg waren om zich zou iets te kunnen permitteren. En het verre Hollandse Den Briel heette toen al Den Briel, terwijl voorganger Oudenbriel al lang van de aardbodem was weggevaagd.

Het alleen in het Nederlands gebruikte woord bril zou overigens verwijzen naar het kijkhulpje van Nero. Smaragd is een variëteit van het mineraal beril. 

Anno 2014 zijn de wellicht bijziende keizer en zijn tweede vrouw in Den Briel nog niet vergeten. Er lopen twee hondjes rond, die Nero en Poppaea heten. De honden hebben vooralsnog geen voorbeeld genomen aan de (in haar geval waarschijnlijk noodgedwongen) liederlijke leefstijl van hun naamgevers.


Een ongewapende 1 aprilviering

Geplaatst op 6 maart, 2014 om 11:05 Comments reacties (1)
Als we de Brielsche Courant en het AD/RD mogen geloven dienen de Geuzen en Spanjaarden dit jaar hun zwaarden en degens thuis te laten bij de ontzetting van Den Briel.  Komen zij toch gewapend naar de stad, dan staan er agenten van de afdeling Bijzondere Wetten klaar om de drager van het wapen op de bon te slingeren.

Een zeer goed doordachte 1 aprilgrap dacht 'De STEEG' toen op 5 maart 2014 het adrenalinepeil weer tot normale hoogte was gedaald. Helaas wordt verscherping van de regels in het AD/RD van 6 maart 2014 gemotiveerd met een verwijzing naar het bloedbad in Alphen aan den Rijn, waar een geestelijk gestoorde man 6 mensen doodschoot, 17 voorbijgangers verwondde en zichzelf daarna van het leven beroofde.
En dat is toch wel een heel ongepaste en onsmakelijke verwijzing om een grap over het einde van het gedoogbeleid tegen gewapende Geuzen en Spanjaarden geloofwaardiger te doen klinken. Maar als het geen 1 aprilgrap is het wel een voorbeeld van overdreven veiligheidsbeleid!

Fotoverslag van Briels hoogwater

Geplaatst op 6 februari, 2014 om 5:37 Comments reacties (1)
brielle hoogwater Varkensstraat











Hoogwater in de Varkensstraat met zicht op het Scharloo. Op de plaats van de gebouwen aan de linkerkant van de Varkensstraat staat nu de HEMA.

Brielle hoogwater Maarland










Brielle hoogwater zichtrichting Waterpoort
Brielle hoogwater Maarland



















Brielle hoogwater MaarlandBrielle hoogwater bij kippenbruggetje Maarland






















Aan het begin van de vorige eeuw waren de nu zeer begeerde en daardoor dure panden aan Maarland NZ en ZZ niet altijd even geliefd. Omdat de voorzorgsmaatregelen bij de 's winters meermaals terugkerende 'Aqua Alta' niet altijd even adequaat werkten, had men ook binnen vaak met vochtproblematiek te kampen.



Het symposium wordt niet zo heet gegeten als de inspiratiebrochure vorig jaar werd opgediend

Geplaatst op 20 januari, 2014 om 4:03 Comments reacties (2)
Het symposium is achter de rug, meldt het AD. U weet wel, het symposium waarvan de inspiratiebrochure zoveel Briels stof heeft doen opwaaien. Wat is er over gebleven van het belachelijk revolutionaire, maar onbetaalbare plan om de Briels wallen, een rijksmonument, waarvan vorig jaar het 300-jarig jubileum werd gevierd,te slopen en langs de buitengrenzen van nieuwbouwwijken en bedrijfsterrein Seggelant nieuwe wallen te bouwen om de eenheid te symboliseren tussen vesting en stadsuitbreiding?  Kennelijk niets. 

Volgens de krant zijn de creatieve geesten op de proppen gekomen met de volgende ideeën, die moeten voorkomen, dat de stad verwordt tot een nationaal historisch museum: Een verzonken brug in de vestinggracht, waardoor mensen kennelijk met aan weerszijden water door de veste kunnen lopen. Een muziektent of horeca in één van de bastions, waar wandelaars thee of koffie kunnen drinken. En, als Albert Heijn de vesting eenmaal met toestemming van de op dit moment dwarsliggende provincie heeft verlaten, binnen de wallen een vestiging van AH to Go waar voor beduidend hogere prijzen een klein deel van het assortiment van de grote broer te koop is. (Alsof de concurrentie van o.a. Lidl, Jumbo en een op een steenworp afstand gelegen, goedkopere Albert Heijn niet als een molensteen om de hals van de dure mini-Heijn zal hangen).

Ook schijnt een creatieve geest de mogelijkheid te hebben geopperd om de winkelfunctie uit de vesting te verbannen naar een rond de 'nieuwe Heijn' en de ondergrondse Jumbo te bouwen centrum. Een nieuwbouw centrum, dat waarschijnlijk net zo'n succes zou worden als het nieuwe centrum van Spijk City. In de ogen van de creatieve geesten volgen de winkeliers dan artsen, scholen en de banken, die het centrum al hebben verlaten. 

Het feit daargelaten, dat de gemeente erin het nabije verleden voor heeft gekozen om het merendeel van de artsen (twee van hen houden nog altijd praktijk in de Jacobskerk) en scholen naar buiten de vesting gelegen nieuwbouw te laten verhuizen, is de sluiting van bankkantoren een landelijke trend, die zelfs in grote steden huishoudt. De gemeente Brielle telt sinds 1 januari 2014 1 bankkantoor van de AMRO-Bank en een vestiging van ING in de Bruna. Zowel AMRO-bank als ING zijn daardoor binnen de vesting vertegenwoordigd. In de vesting is ook het merendeel van de Brielse geldautomaten te vinden, waaronder een automaat van de tot 1 januari 2014 buiten de vesting gelegen RABO-bank, die niet via het internet bankierende Brielse klanten tegenwoordig niet in Nieuwland maar in Oostvoorne ontvangt.

Het idee van de verzonken brug in de veste lijkt op creatieve wijze gestolen van Fort de Roovere in Halsteren. Daar heet de verzonken brug een loopgraafbrug (KLIK HIER VOOR EEN INSPIRERENDE FOTO VAN DE BESTAANDE LOOPGRAAFBRUG). 

'De STEEG' zou er overigens geen enkel bezwaar tegen hebben als de Brielse vesting, inclusief winkels, tot nationaal historisch museum zou worden uitgeroepen. Zoiets is namelijk onder meer prettig voor de kassa's van de plaatselijke winkeliers.

Een eenmalige belevenis

Geplaatst op 16 januari, 2014 om 11:12 Comments reacties (4)
Donderdag 16 januari 2014, op de Brielse wallen, sjorend aan Guus, een allochtone hond die niets van een Hollands buitje wil hebben. Natuurlijk nèt geen camera bij de hand en een regenboog die uit het 'gouden schip' op de toren van de Sint-Catherijnekerk lijkt te komen.

Judy Garland/Dorothy samen met hondje Toto en een regenboog; blijft een adembenemende combinatie. (KLIK HIER)



Een wel heel oud Briels familiebedrijf

Geplaatst op 11 januari, 2014 om 10:28 Comments reacties (1)
Het vorige blog was gewijd aan de honderdste verjaardag van het familiebedrijf van slager P. van der Waal. In Den Briel is een familiebedrijf gevestigd, waarbij vergeleken de slagerij een snotneus is. Dat bedrijf, nu Rijcken-Interfashion geheten, kent een zeer interessante voorgeschiedenis, die zich deels in de Zuidelijke Nederlanden afspeelde. Hoewel de familie Rijcken geen enkele moeite doet om de Belgische wortels te verbergen (het bedrijf heeft er zelfs 2 maal een boekje over uit gegeven), is de geschiedenis van de als oer-Briellenaren beschouwde familie en hun bedrijf wel een blogje waard. Dat de firma Rijcken vroeger al een vooraanstaande zaak was, is, ook vanaf de straat, aan de fraaie smeedijzeren lamp in het herenmodegedeelte te zien.

'Rijcken' is eeuwen geleden opgericht door 'teuten'. Deze term is afgeleid van het woord Teutonen (een ander woord voor Duitsers). De eerste teuten waren in de Nederlanden actieve Duitse ambachtslui en marskramers (ambulante handelaren). Toen uit Limburg afkomstige, reizende handelaars en ambachtslieden hun werkterrein uitbreiden tot de 'Teutoonse landen', ging men hen ook als 'teut' aanduiden.

De teuten hielden zich met verschillende vormen van handel en ambachten bezig. Men onderscheidt 6 soorten teuten: ketellapers (koperslagers), pakdragers of tafteuten (handelaren in textiel, waarvan de Westfaalse broers Clemens & August Brenninkmeijer wereldberoemd zijn geworden onder de merknaam C&A), dierenlubbers (castreerders, die soms ook in vee handelden en/of als dierenarts bezig waren), haarteuten (ze kochten het haar van boerendochters op om dat aan pruikenmakers te verkopen), echelteuten (handelaars in bloedzuigers) en geleyteuten (handelaren in aardewerk).

Teuten konden uit Brabant, Zuid-Limburg, Belgisch Limburg en Westfalen komen. Hun werkterrein lag in Frankrijk, België, Nederland, Duitsland en Scandinavië. Onderling spraken de teuten hun eigen taaltje - het Bargoens (dat door henzelf liever als Boergoensch werd aangeduid). Een paard werd in die taal een trepper genoemd. Een os was een jeuker, een knopperd een knecht en de hoeds was de boer. Blanke poen was in het Bargoens een zilveren munt. 
Als grensoverschrijdende bedrijfstak is het teutenbedrijf waarschijnlijk als gevolg van de 80-jarige Oorlog ontstaan, doordat voerlieden (transporteurs) als gevolg van de de oorlogshandelingen niet meer veilig over lange afstanden konden reizen en zich toen maar eerst in hun eigen omgeving met de ambulante handel in koperwerk zijn gaan bezighouden. 

De teuten van Rijcken & Co liepen oorspronkelijk elk voorjaar van Hamont (in het noorden van het huidige Belgisch-Limburg), via Den Bosch en Breda naar Brielle. Aan de Moerdijk stapten ze op het bootje naar Beijerland. Ze waren als ketellapper actief en merkten, dat men op het 'Brielse eiland' (zoals de teuten Voorne noemden) - anders dan in Limburg - kousen in de klompen droeg. Zo zijn de teuten op het idee gekomen om bij Hollandse schapenboeren wol te kopen en daar 's winters in het huidige België kousen en sokken van te laten breien. (In de Gouden Eeuw lagen de lonen in de Republiek veel hoger dan in de Zuidelijke Nederlanden.)

Om de concurrentie door middel van schaalvergroting dwars te zitten gingen individuele teuten ertoe over om uit 3 tot 6 man bestaande compagnieën te vormen. In 1690 zou in Den Briel door Hamontse teuten de Compagnie Rijcken zijn opgericht (waar dus niet alleen dragers van die achternaam deel vanuit maakten).

In 1693 vestigden de teuten van Rijcken & Co zich  in Abbenbroek en Rugge (bij Den Briel). Vanuit die plaatsen werden 6 dorpen aangedaan. Eerst te voet, met een pak op de rug. Soms met een kruiwagen en vanaf 1800 met paard en wagen.
Rijcken & Co vestigde zich in 1795 definitief in Den Briel met de aankoop van een pand in het Zuideinde (nu Nobelstraat). De oorspronkelijke vestiging is inmiddels flink uitgebreid, doordat er steeds belendende panden aan zijn toegevoegd. 

De Brielse teuten leidden een vreemd bestaan. Oorspronkelijk kwamen ze elk jaar in maart naar Holland met de allernieuwste stoffen. Vrouwen en kinderen lieten ze in Hamont (Belgisch Limburg) achter. De mannen bleven in en vanuit Den Briel actief tot na de laatste keutjesmarkt (een varkensmarkt, waarvan de laatste in november in de huidige Varkensstraat werd gehouden). Het huishouden werd gedaan door 'juffrouwen', die ook de Brielse belangen van Rijcken & Co behartigden, wanneer de teuten zich van november tot maart in Hamont bezighielden met de boekhouding en het aankopen van Belgische stoffen. 
De 'juffrouwen' hielden overigens niet de winkel open, terwijl de teuten bij vrouw en kinderen verbleven. In de tweede helft van de 19e eeuw moest Rijcken & Co vaststellen, dat hun klanten hun geld elders uitgaven in de periode dat de Brielse winkel was gesloten. Eén van de teuten brak met de gewoonte om de winter in België door te brengen, zodat de winkel voortaan het hele jaar kon openblijven het hele jaar openbleef.

De firma Rijcken heeft zich in het verleden overigens niet alleen met de stoffenhandel bezig gehouden. Tot 1940 verkocht men ook klaverzaad. Er schijnt een koperen doosje te bestaan, waarin mesjes en een tang werden bewaard, die gebruikt werden bij het castreren van hengsten, stieren en varkens. Vandaar misschien, dat de teuten van Rijcken & Co pas na de laatste markt, waarop jonge varkens werden verkocht, naar Hamont gingen. (Een 'beer' mannetjesvarken werd op jonge leeftijd gecastreerd, om te voorkomen dat het vlees oneetbaar werd, omdat het 'naar beer ging stinken'.) 

In de jaren vijftig schakelde Rijcken & Co van kleermakerij over op confectie (kant-en-klare kleding). Het bedrijf verkocht naast kleding voor heren en dames ook bedden, lingerie en karpetten (vloerkleden). Er waren 4 bestelauto's, die dagelijks met kleding en andere koopwaar de boer opgingen, omdat agrariërs geen tijd hadden om zelf naar de winkel te komen.

Rijken & Co was ooit beroemd om zijn Belgische boezeroenengoed en de Belgische dril-met-streep-opzij. Een boezeroen is een korte kiel met lange mouwen, die vooral door zeelui en werklieden werd gedragen. Dril was een zeer stevig in 'drieschacht' geweven weefsel van katoen, linnen of halflinnen. Dril-met-streep-opzij was overigens nergens anders in Nederland verkrijgbaar. 

Rijcken-Interfashion (zoals Rijcken & Co nu heet) staat overigens bekend om allerlei vooraanstaande modemerken.

Er is er een jarig, hoera, hoera!

Geplaatst op 11 januari, 2014 om 10:02 Comments reacties (1)
De Brielse slagerij 'P. van der Waal' is jarig. 100 jaar oud om precies te zijn. Voor de eigenaren van het familiebedrijf reden genoeg om de vlag uit te steken!



'Antiek & Curiosa De STEEG' zal de respectabele leeftijd van 100 jaar ongetwijfeld niet halen. Dat is geen reden om Corrie en Piet een welgemeende felicitatie te onthouden.





De dreigende fusie

Geplaatst op 29 november, 2013 om 2:37 Comments reacties (1)
Volgens onderzoeksbureau BMC is het slecht gesteld met de bereidheid tot samenwerking tussen de gemeenten Hellevoetsluis, Westvoorne en Brielle. Daardoor zullen ze nooit de concurrentie aankunnen met de 'nieuwe' gemeente Spijkenisse.

BMC komt met een wel heel erg simpele oplossing: grote, maar relatief arme broer Hellevoetsluis moet de kleinere en rijkere gemeenten opslokken zodat hun geld niet alleen maar aan Westvoorne of Brielle,  maar in de hele fusiegemeente kan worden besteed. De Hellevoetse VVD-fractievoorzitter is het met die aanbeveling eens: "Niet zolang uitstellen, zoals bij Bernisse en Spijkenisse. Zodat Bernisse op z'n knieën moest omdat er geen geld meer is." (Met als grote verschil, dat in het genoemde voorbeeld beide huwelijkspartners geen cent te makken hebben en in de voorgestelde Ménage à trois alleen de dominante partij in geldnood verkeert. Zou de Hellevoeter bang zijn, dat Westvoorne en Brielle het geld snel gaan uitgeven?)

Toch gaat het in het ene concreet genoemde voorbeeld van afgeketste samenwerking om de gemeente Hellevoetsluis, die zich op het laatste moment terugtrok uit een samenwerkingsverband met de buren. Moet Hellevoetsluis  echt voor z'n slechte gedrag worden beloond met een vijandige overname van Westvoorne en Brielle, waarvoor onder de inwoners van die gemeenten weinig draagvlak bestaat?

Rss_feed